Naar de content
Podcast
Podcast

Waarom herinner je je niks uit je babytijd?

Seizoen 4 - Afl. 4 met Maartje Raijmakers

Een hoofd boven je wiegje, drinken uit een flesje, een schone luier. Niemand herinnert zich hoe dat als baby was. Psycholoog Maartje Raijmakers legt uit hoe dat komt.

6 maart 2025
Afspelen icoon
Podcast
Podcast

Waarom herinner je je niks uit je babytijd?

0:00
23:58

Wat is jouw oudste herinnering? Hoe oud was je toen? Grote kans dat je een jaar of drie, vier oud was, en dat je herinnering iets in je thuissituatie betreft. Maar weinig mensen herinneren zich iets uit de tijd daarvóór - en al helemaal niet uit hun babytijd. Maar hoe komt dat eigenlijk? Heeft dat te maken met het feit dat je als baby nog niet kunt inschatten welke ervaringen relevant zijn en dus de moeite waard om in je geheugen op te slaan? Of heb je misschien taal nodig om wat je meemaakt te kunnen labelen en vastleggen?

In deze aflevering van de podcast Oplossing gezocht leggen we deze vraag voor aan bezoekers van NEMO Science Museum. Podcast-hosts Robert Visscher en Nour Eldín Emara delen hun eerste herinneringen en speculeren over waarom hun geheugen vóór die tijd blanco is. Uiteindelijk geeft expert Maartje Raijmakers het verlossende antwoord. Deze hoogleraar van de Universiteit van Amsterdam weet alles van de cognitieve ontwikkeling van kinderen en kan onze vergeten babytijd goed verklaren. Luister naar de aflevering in jouw favoriete podcastapp (Spotify, Apple) of kijk hierboven de video op Youtube.

Transcript

Oplossing gezocht - Waarom herinner je je niks uit je babytijd?

===

Persoon 1: Maar dat is denk ik het verst dat ik kan herinneren, verder weet ik het niet.

Persoon 2: De kleuterschool.

Persoon 3: Toen ik baby was, toen mijn overgrootoma me vasthield.

Persoon 4: Nou, ik kan me heel goed herinneren, mijn eerste dag op de kleuterschool.

Persoon 5: Wat ik me heel goed kan herinneren is dat ik op de kleuterleeftijd, van 4 jaar ongeveer, dat ik verliefd was.

Robert: Sommige dingen die weet je gewoon. Of nou ja, die denk je te weten. Maar klopt het eigenlijk wel? En hoe weet je dat dan zo zeker? Hoe is dat ooit vastgesteld? De vragen stellen we onszelf en jou elke aflevering in deze podcast Oplossing gezocht, gepresenteerd door NEMO Kennislink. Mijn naam is Robert Visscher.

Nour: En ik ben Nour Eldín Emara en we zitten vandaag in de Boardroom van het NEMO Science Museum. Deze aflevering vragen we ons af: waarom herinner je je niks uit je babytijd? We filosoferen zo door op deze vraag en dan gaan we ook verder praten met Maartje, naast ons. Maartje Raaijmakers is hoogleraar ontwikkelingspsychologie en ook als bijzonder hoogleraar verbonden aan het NEMO Science Museum hierzo, dus bekend terrein. En die geeft ons straks het verlossende antwoord. Maar eerst: hoe denken de bezoekers van NEMO Science Museum over deze vraag?

Persoon 6: Omdat het heel lang geleden is en je ook andere dingen meemaakt.

Persoon 7: Ik zou het niet weten.

Persoon 8: Het is ook omdat het heel lang geleden was, denk ik.

Persoon 9: Ja, dat begrijp ik niet. Dat zou ik eigenlijk nog wel eens uit moeten zoeken, ja.

Persoon 10: Dat je hersenen nog niet zo ontwikkeld zijn om dingen te onthouden, denk ik. Je brein is nog niet zo ver.

Persoon 11: Ja, ik denk ook wel dat de ontwikkeling van de hersenen natuurlijk toch wel een rol speelt.

Nour: Robert, we hebben al veel ideeën voorbij horen komen. Het valt me op, vooral de kinderen gaven aan het is al zo lang geleden, terwijl daarnaast gewoon hun ouders stonden die al flink wat meer levenservaring hadden. Dat geldt ook voor jou in deze. Jij hebt meer levenservaring dan ik.

Robert: Ja, dat klopt ja.

Nour: Wat denk jij? Waarom herinner jij je zo weinig van je babytijd?

Robert: Ik denk dat het, ik heb hier best veel over nagedacht. Ik vond het als kind namelijk heel erg fascinerend. Ik was heel benieuwd wat dan mijn oudste herinnering was. Ik weet nog dat ik daar als kind gewoon al heel erg mee bezig was en het was iets ongrijpbaars.

Nour: Waar ben je op uitgekomen dan? Wat was dat nou?

Robert: Ik kan me herinneren dat ik in ons eerste huis waar we woonden, dat was in Groningen, dat ik met een hele grote, ja, wat was het, vrachtwagen zat te spelen onder de trap. En ik weet niet waarom, maar dat is het eerste beeld wat in me opkomt. En het rare is dat ik laatst oude fotoboeken aan het doornemen was en toen zag ik een foto van mijzelf, terwijl ik met die vrachtwagen aan het spelen was onder de trap.

Nour: Ja.

Robert: Dus ik vraag me heel sterk af of dit nou daadwerkelijk mijn oudste herinnering is, of dat dit is wat ik zelf eigenlijk daarbij heb geassocieerd, erbij heb bedacht aan de hand van die foto.

Nour: Dat zou zomaar kunnen.

Robert: En dit heeft ook te maken met mijn theorie, dit is eigenlijk de inleiding van wat ik dan denk hoe het zit. Ik denk dat je als baby nog helemaal niet doorhebt wat er om je heen gebeurt. Dus ik heb zelf kinderen. Die zijn al lang geen baby meer. Maar je ziet wel aan die oogjes, van alles komt voorbij. Ze nemen alles op, ze nemen alles waar, maar het gaat ook een beetje langs ze heen. En ik denk dat je een soort, ja bijna, een lege doos klinkt misschien een beetje fout, maar weet je, als we als metafoor dat je eigenlijk wel zo'n lege doos hebt en dat je die aan het vullen bent met waarnemingen, observaties. En dat je dus het allemaal nog niet kan plaatsen.

Nour: Vooral nog heel veel losse puzzelstukjes zeg maar, maar nog niet een compleet overzicht van die puzzel.

Robert: Ja, of misschien, ik denk zelfs dat je nog niet een idee hebt dat het een puzzel is, zou ik zeggen.

Nour: Waar het heen gaat. Ja, ja.

Robert: Ja, ja.

Nour: Interessante gedachte. Ik heb dus ook nagedacht van wat is mijn oudste herinnering? Wat ik nog weet is, maar ik weet niet meer hoe oud ik was, maar laten we zeggen drie jaar, zou ik ongeveer zeggen, dat ik aan de keukentafel zat van het oude huis van mijn ouders en dat ik een glas water voor me zag en dat ik dacht ja, er staat me eigenlijk weinig in de weg om die eventjes zo subtiel van de tafel te tikken. En ik weet nog dat gewoon de spanning van dat moment eigenlijk, die is nog heel erg voelbaar en ook heel erg inleefbaar. En ik dacht waarom is dat me nou weer bijgebleven? Aan de ene kant een soort indrukwekkend moment dus: ik deed iets stouts, iets wat niet mocht. Maar ik denk ook dat taal hier wel een belangrijke rol bij speelt. Als in: ik had door dat dat een glas was. Ik zat aan de keukentafel. En ik denk dat het wel belangrijk is om dat soort concepten al wel te begrijpen, zodat je die kan vastleggen in je brein om ze vervolgens ook weer te kunnen reproduceren. Terwijl misschien vóór de leeftijd van drie jaar je nog niet dat concept van taal hebt en dus ook moeilijk kunt reproduceren wat het precies is dat je gezien hebt of meegemaakt hebt.

Robert: Dus de taal is bijna een soort kooitje zou je zeggen waar je die herinneringen dan in kan stoppen of zo, waardoor het betekenis krijgt?

Nour: Ja, ja, misschien zitten we niet eens zo ver van elkaar af dan, als ik het zo hoor. Is dat weer een soort puzzelstukje in de grote puzzel. Maar wij kunnen er eindeloos over door filosoferen. Ik denk dat we toch naar links moeten kijken in mijn geval, rechts in jouw geval, als we wat meer duidelijkheid willen krijgen. Maartje, dank je wel voor het aanschuiven in de podcast.

Maartje: Ja leuk, leuk onderwerp.

Nour: Ja, aan jou de vraag waarom herinneren we ons zo weinig uit onze babytijd?

Maartje: Ja, nou jullie begonnen met het finale antwoord en dat is er natuurlijk niet. Zo gaat dat in de wetenschap en het is ook wel veranderd over de tijd. Maar op het moment hebben we heel sterk het idee dat er een belangrijk onderscheid is tussen semantisch geheugen en episodisch geheugen.

Robert: Dat klinkt wel een beetje ingewikkeld.

Maartje: Dat klinkt meteen al ingewikkeld. Ik ga het illustreren. Dus waar jij het hebt over concepten van een glas, een tafel, vallen, dat is typisch semantisch geheugen. En kinderen hebben dat al heel vroeg. Je woordenschat neemt enorm toe al. Vanaf eind je eerste jaren leer je je eerste woordjes en dan gaat het ook al vrij snel hard met je woorden. Dus die concepten, die ontstaan eigenlijk al heel jong.

Nour: Papa en mama bijvoorbeeld.

Maartje: Ja, maar ook glas en eten.

Robert: En dan kunnen ze dat nog niet zeggen, maar je weet wel, glas, dan weet een kind wel wat dat is.

Maartje: In je tweede jaar kunnen veel kinderen... ...er zijn enorme individuele verschillen die verder ook niet zo voorspellend zijn. Maar veel kinderen kunnen wel al in hun tweede jaar best wel wat zeggen. Maar dat is allemaal semantisch geheugen en dat betekent dat je hebt wel betekenis, maar het zijn geen gebeurtenissen, dus er is geen plaats aan verbonden, er is geen tijd aan verbonden. En ja, dus wie, wat, waar, wanneer... die dingen, die zijn typisch verbonden, zeg maar, bij het episodisch geheugen wat gaat over het geheugen van gebeurtenissen. En, ja, als je ergens speelt met een vrachtwagen op een bepaald moment, dan zijn die dingen allemaal met elkaar verbonden en bovendien heb je daar zelf een soort beleving van. Dat is wat jij, Nour, heel duidelijk vertelt van, ik herinner me nog die emoties die daar, of ik voel nog zeg maar die emoties die daar bij hoorden. Dus om al deze dingen verbonden te maken, dat lijkt het grote probleem.

Nour: Want het episodische gedeelte, dat vind ik juist een stuk lastiger, dus inderdaad wanneer dit ongeveer plaatsvond. Ik heb inderdaad nog een vaag beeld van die keukentafel, maar ik weet eigenlijk niet zo goed waar ik stond in mijn leven, bij wijze van op dat moment.

Maartje: Ja, maar je hebt wel een idee van plek, van ruimte, dat zeg maar... En er zit ook een beetje een tijdsfactor, tenminste zoals jij het zegt van: ik overwoog om dat van die tafel af te gooien. Er zit tijd in je herinnering. En ja, dat blijkt lastig te zijn om die dingen aan elkaar te koppelen.

Robert: Ja, precies die dingen die je zegt, waar, wat, wanneer. En daarvoor zou je misschien, als dat nog niet zo'n herinnering was, zou je misschien gewoon denken glas en water bijvoorbeeld. Dat herken je dan en de keukentafel herken je, maar niet in die context bij elkaar met waar je dan precies bent, wat er gebeurt en op wat voor manier?

Maartje: Ja, en het is niet zo makkelijk te onderscheiden bij jonge kinderen, omdat, nou dat vertel jij heel duidelijk, je geheugen is heel fragmentarisch, dus het zijn elementen en als je een kind gaat vragen op die leeftijd, bijvoorbeeld hoe was het in de dierentuin? wat typisch eigenlijk een gebeurtenis is, of eigenlijk een vraag naar een gebeurtenis, Dan zeggen kinderen bijvoorbeeld: ja, veel dieren. Maar ja, is dat nu hetgeen wat hij beleefd heeft, of is dat meer de semantische betekenis van dierentuin? Dus dat zou een kind best kunnen weten, echt al heel jong. Dieren horen bij een dierentuin. Dus context... Eigenlijk niet afhankelijk van de context, van welke dierentuin, maar die gebeurtenis is dus, blijkt veel lastiger te zijn.

Robert: Wel grappig dat je dit zo zegt, want ik heb me heel veel bij mijn eigen, omdat het echt een onderwerp is wat mij wel bezighield, ook als kind, heb ik heel veel bij mijn eigen kinderen nagedacht. Wat gaan ze nou onthouden? Het is echt zo rond drie jaar, van gebeurt er iets, word je kind boos of ben je juist heel blij of een beetje een grote emotie. Maar ik heb het wel eens gevraagd aan mijn eigen kinderen en mijn oudste zoon zei dus de geboorte van zijn broertje. Toen was hij 3,5 en dat hij zich dat nog helemaal kan herinneren, dat hij binnenkwam en dat hij voor het eerst zijn broertje zag en dat hij dat er heel raar uit vond zien, zeg hij dan altijd. Zo’n verfrommeld wezentje. Maar goed. Hoe gaat het daarna dan? Want we hebben het nu over die eerste herinneringen... ...hebben we gedeeld en je legt heel duidelijk uit waardoor het komt. Maar bouw je dan dat vermogen langzaam op, of is dat iets wat je meteen hebt?

Maartje: Nee, dat bouw je op. Dat fragmentarische, dat blijft ook nog eigenlijk je hele kindertijd. Zeg maar tot een jaar of tien is je geheugen nog veel fragmentarischer. Je weet bijvoorbeeld ook echt nog veel minder dan volwassenen, terwijl volwassenen ook niet goed in zijn, waar het geheugen vandaan komt. Wie het je verteld heeft bijvoorbeeld, of zeg maar de bron van je geheugen, ben je echt slecht in. En dit is een heel relevant onderwerp bij getuigenverklaringen.

Robert: Oh ja, ja.

Maartje: En, nou goed, we hebben een aantal zaken gehad, ook in Nederland. En dan zijn de getuigenverklaringen van peuters, die een belangrijke rol spelen in zedenzaken. En ja, dat is precies lastig, want het gaat over episodisch geheugen en ook van, je bent super gevoelig je hele kindertijd, maar hoe jonger, hoe meer, voor allerlei suggesties die van buiten gedaan worden.

Robert: Dus iemand stelt een vraag en dan ga je dat bijna invullen.

Maartje: Dan ga je dat invullen. En het is niet dat die herinnering er dan al in zat en je dat vertelt, maar je maakt er een verhaal van ter plekke. En dat is geen onwil, maar dat is zoals het werkt zeg maar.

Nour: Ja, want als je je iets niet kunt herinneren, dan kun je dat aangeven. Maar als je het per ongeluk zelf gaat invullen, dan is dat inderdaad nog een stapje lastiger zou ik zeggen.

Maartje: Ja.

Nour: En ik vraag me dan ook af: hoe moet ik dat dan voor me zien in het brein? Is het brein van zo’n peuter en van een puber misschien zelfs nog dermate anders dan ons brein op dit moment?

Maartje: Ja, de belangrijkste bron van het onvermogen plaatsen mensen in de hippocampus.

Nour: Die is verantwoordelijk voor het geheugen?

Maartje: Nou ja, vooral met name spatiële informatie. Dus je hebt zo’n verhaal over taxichauffeurs. Die enorm veel spatiële informatie verzameld hebben natuurlijk. En dat kun je dan terugzien, of dat hebben ze teruggezien in scans van de hippocampus, dat die een vergrote hippocampus hebben. Dus spatiële informatie is daarbij heel erg belangrijk en omzetting van kortetermijn- naar langetermijngeheugen. En dat zijn twee belangrijke functies van hippocampus en dat lijkt een kernrol te spelen. En het is zelfs zo, en dat is niet onderzoek wat ik doe, maar waar ik dan meer college over geef, zeg maar. Dat er in de hippocampus ook nog neuronen ontstaan in die hele vroege kindertijd, dus die groeien ook nog gewoon, wat eigenlijk vrij zeldzaam is in de hersenen. En die dendrieten, die groeien uit en daarna moeten al die verbindingen die ontstaan, moeten ook weer geselecteerd worden. En dat is in die tijd zeg maar, tot en met je tweede jaar, is dat nog volop in gang.

Nour: Ja, dus dat is een training die we allemaal hebben doorgemaakt, zeg maar als kind. Maar wat je blijkbaar dus ook wel wel gericht kan trainen, bijvoorbeeld als taxichauffeur, dat je je ruimtelijk inzicht verbetert, dat is wel interessant om te zien.

Maartje: Ja dus dat lijkt zo te zijn. Maar al die... Het is natuurlijk supermoeilijk om dat goed te onderzoeken, maar al die veranderingen in geheugen kun je toch niet direct correleren aan de vermogens van kinderen. Dus die individuele verschillen, die hoop je dan te kunnen correleren bijvoorbeeld aan volume van bepaalde delen van de hippocampus. En dat lukt volgens mij niet echt.

Robert: Dus als je een bepaald hersengebied groter hebt, dan kun je dit beter of dat beter.

Maartje: Precies, dat hoop je. Maar zo simpel ligt dat niet.

Robert: En zijn er ook nog cultuurverschillen hierin? Is het nou anders in andere culturen hoe dit werkt?

Maartje: Ja, een van de verhalen daarbij, dit is meer het zeg maar rudimentaire verhaal, maar er zijn allerlei andere factoren. Een van de factoren zijn strategieën om je geheugen zeg maar te consolideren, dus goed te laten bestaan door de tijd. En dat is het herhalen en het vertellen. En het lijkt wel zo te zijn dat in landen waar kinderen vaak vertellen over een gebeurtenis, de herinnering wat vroeger is. Dus de vroegste herinnering wat eerder is. en dat is dan bijvoorbeeld wordt er... ...onderzoek gedaan over Amerika ten opzichte van Korea, geloof ik, waar die culturele verschillen over hoeveel vertel je van wat je meegemaakt hebt, hoeveel bevraag je je kinderen, kennelijk bestaan.

Robert: Maar dat is bijna alsof je een herinnering warm houdt of zo?

Maartje: Ja, rehearsal: als je een telefoonnummer wil onthouden, is ook dat wat je doet, hè. Dan herhaal je het. Dat is typisch een geheugenstrategie. En een vroegste geheugen, als daar vaak naar gevraagd is of als je er vaker over nagedacht hebt zoals jij het zegt, dan blijft dat ook goed bestaan.

Nour: Je hebt het al gezegd, Maartje, dit is gewoon best wel lastig om hier onderzoek naar te doen. Want enerzijds kun je naar het brein kijken bijvoorbeeld. Maar er zijn ook weer culturele verschillen dus ook tussen landen. We hebben deze vraag ook voorgelegd aan de bezoekers van NEMO Science Museum met de vraag hoe zij dit zouden aanpakken als zij wetenschapper zouden zijn. We gaan er even naar luisteren.

Persoon 12: Nou ja, ik denk de neurowetenschapper dat je in hersenen onderzoek moet doen.

Persoon 13: Testen op mensen. Kijken of je daar op een of andere manier kan testen, met a/b-testen, of weet ik veel wat, zoiets.

Persoon 14: Hersenen, er zit ergens een deel wat het geheugen is. Ik zou, dat klinkt heel logisch misschien, maar daar het onderzoek gaan doen.

Persoon 15: Ja, ik denk misschien wel in het lab.

Persoon 16: Ik zou onder hypnose gebracht willen worden. Dan hoop ik dat je stapsgewijs dan steeds verder terug kan komen.

Nour: Ja, van labonderzoek naar tot zelf in hypnose gebracht worden. Waar zie jij het meeste heil in, Maartje?

Maartje: Nou ja, het labonderzoek... over de hypnose heb ik misschien ook nog wel een ding, maar wat ze gedaan hebben is eigenlijk veel simpeler in eerste instantie. Er is een heel groot onderzoek, waarbij ze 11.000 mensen gevraagd hebben: wat is je vroegste geheugen? En dat allemaal opgetekend hebben. En eerst maar eens even gekeken. Ja, wat is dat geheugen, waar gaat het over? Om daar een soort van score van te maken. En dat blijkt volgens mij vrij universeel te zijn. En familie is echt... staat stipt bovenaan, familie-gerelateerde dingen. Sociaal gerelateerde dingen staan ook heel erg bovenaan. En ja, dus dat, die verdeling zeg maar over waar gaat dat geheugen over. Dat is het eerste wat je kan doen.

Nour: En dat kan dus al met een simpele vragenlijst. Dan hebben we eigenlijk per ongeluk zelf ook een klein onderzoekje gedaan denk ik, onder onze eigen volgers. We hebben namelijk ook de poll via onze sociale media-kanalen online gezet: Wat is jouw vroegste herinnering? Welke periode is dat? Wat blijkt, zowel op Instagram als op Facebook ligt de piek ongeveer bij 3 tot 4 jaar oud. En dan onze Facebookgebruikers, toch wat oudere gebruikers, neigen soms naar wat eerdere herinneringen. En op Instagram is het soms nog wat later. Is het ook ongeveer in overeenstemming met wat deze onderzoeken lieten zien? Maartje: Ja, dus de vroegste herinneringen worden gerapporteerd tussen de twee en de drie jaar. Maar dat het eind van het derde jaar, voor je derde levensjaar, dus dan ben je nog twee, dan komt er echt een grotere hoeveelheid mensen die dat rapporteren.

Nour: Ja oké, dus de vragenlijst hebben we besproken. Was het nu echt een brug te ver om over labonderzoek na te denken?

Maartje: Nee.

Nour: Onderzoek met mensen?

Maartje: Er is heel veel onderzoek gedaan... Ja, eerst eigenlijk in de jaren negentig zagen mensen met allerlei dier-gerelateerd onderzoek dat er een explosie van nieuwe kennis kwam. Maar dat ging met name over impliciet geheugen. En impliciet geheugen, is eigenlijk je geheugen waar je niet kan over rapporteren. Dus dat zijn perceptuele veranderingen die je waarneemt en wat je ook makkelijk bij baby’s kan onderzoeken. Dus je laat een baby bijvoorbeeld de hele tijd een plaatje zien wat op het vorige plaatje lijkt het. Ineens wijkt het af en dan zie je, omdat de baby meer alert wordt bij het nieuwe plaatje dat ze geheugen hebben voor wat er gebeurd is. En nou goed, daar zijn allerlei complexere varianten gedaan en toen dachten mensen van wow, die kinderen hebben al heel jong veel geheugen. Dat is allemaal blijkt semantisch geheugen of impliciet geheugen te zijn. En later hebben mensen geprobeerd om juist die plaats en die tijd etcetera mee te nemen. En dat gaat dan op allerlei manieren of vragen weer. Maar dan kom je met de taalproblemen met die jonge kinderen.

Robert: Ja, ja.

Maartje: Het is moeilijk om te vragen.

Nour: Dus je kunt beter zo’n experiment doen.

Maartje: Dus dan kun je een experiment doen. Een van de grappige experimenten is dan zet je een soort van toneelstukje op en dan ga je kijken hoe kinderen daarop reageren. En dat is met name voor die getuigenverklaringen, dan hadden ze bij de consultatie-arts... Een kind ging gewoon naar de consultatie arts, zoals je dat altijd deed één keer in de zoveel tijd en dan vroegen ze daarna aan het kind van: heeft de zuster aan je knie gelikt?

Robert: Oké, rare vraag.

Maartje: Ja, rare vraag, maar ook weer niet zo’n enge vraag.

Robert: Ja, als het was gebeurd, zou je het ook wel onthouden.

Maartje: Ja, en dan eigenlijk om te testen wat kinderen dan rapporteren. En dan is er gewoon een fors percentage wat gewoon een heel mooi uitgebreid verhaal heeft over hoe die zuster aan de knie gelikt heeft.

Robert: Terwijl het niet gebeurd was.

Maartje: Terwijl het niet gebeurd was, natuurlijk. Dus dat zijn wel goede dingen om te testen zeg maar, over hoe dat dan werkt. Een andere manier is het twee kamer-experiment. Dus dan worden er twee kamers gemaakt en daar worden bakjes van verschillende kleuren ingezet op verschillende plekken en dan wordt er wat verstopt, waar het kind gewoon bij is, in die bakjes. En daarna wordt een kind gevraagd: kun je voor mij dit speelgoedje, het autootje terugvinden? En dan kun je zien in hoeverre dan plaats en kleur, dus ook uiterlijke kenmerken, gekoppeld worden aan die vindplaats. En zo kun je ook nog een soort van gebeurtenissen inbouwen. en dan zie je dat voor het tweede jaar zijn kinderen, kunnen die context niet meenemen.

Nour: Ja, dan heb je weer het tijdselement meegenomen, het ruimtelijke element. Ja, interessant.

Maartje: Ja, dus dat zijn mooie gecontroleerde experimenten. En ja, mensen denken vaak aan hersenonderzoek. Ja, maar wat dan? Ik bedoel...

Robert: Ik denk dat mensen toch een soort idee hebben, we kunnen die hersenen openmaken, we kunnen kijken en dan zien we wat daar allemaal voor herinneringen zitten. Maar ja, je gaf het zelf eigenlijk al aan, die herinneringen zijn van jezelf, dus je moet ze echt zelf vertellen en dan komen wetenschappers daar pas achter. Het is niet dat er een luikje of een scan gemaakt kan worden en ze zien een soort beeldje afgespeeld.

Maartje: Dus je krijgt een soort van correlaten, hoop je dan, over bijvoorbeeld waar de activiteit is op bepaalde momenten. Ja, voor bepaalde acties van kinderen, dus dat kun je proberen. Maar ja, zo’n 2-jarig kind in een scanner is ook geen sinecure natuurlijk.

Nour: Nee, nee, nee.

Robert: Want je moet helemaal stilliggen...

Nour: Dan is dit een veel elegantere oplossing, zou ik zeggen.

Maartje: Ja.

Nour: En we volgen die verdere onderzoeken ook op de voet. Maartje, ten slotte vraag ik me ook nog wel af, als jij je nou nog iets mocht herinneren uit de eerste twee jaar, waar was je dan nog het meest benieuwd naar, als je dat filmpje nog een keer zou mogen afspelen? Maartje: Nou, als ik me nog iets mocht herinneren...

Nour: Ja, dat is toch zonde dat we dat eigenlijk niet meer kunnen.

Maartje: Ja nou, het spelen denk ik, mijn eigen verhalen die ik verzon en dat spel, daar herinner ik me echt wel pas op latere leeftijd wat van. Voor mij zijn het echt sociale herinneringen eigenlijk.

Nour: Mooi. Tot zover deze aflevering van Oplossing Gezocht. Over twee weken zijn Robert en ik weer bij je terug.

Robert: Voor nu veel dank aan onze gast Maartje Raaijmakers. Wil je meer weten over onze wetenschapsjournalistiek? Abonneer je dan op deze podcast via jouw favoriete podcast app. Volg ons op Facebook en Instagram, of bekijk onze website nemokennislink.nl Blijf nieuwsgierig en tot de volgende keer!

Outro: Het internet. Al zo’n veertig jaar een onmisbaar stukje technologie. Ik heb ook internet, dus. Inbellen op het internet. Tuut tuut tuut tuut tuut tuut. Hij doet het. Volledig geïntegreerd. Op mijn telefoon ook. Instagram. X heet tegenwoordig. Whatsapp. Facebook. En TikTok en al die dingen. We gebruiken het elke dag. Nee geen dag zonder internet. Hallo, ik word wakker met één oog. Niet eens mijn brilletje op. Ik moet op online. Even kijken wat er gebeurt in de wereld. Dingen opzoeken. Dingen te bestellen. Om te appen. Ook voornamelijk voor spelletjes. Heel veel podcasts luisteren. Om te mailen natuurlijk. My family, they're living in a different country, so I need to be online to communicate with them. Opzoeken van antwoorden naar de vragen die je hebt. Antwoorden zoeken, werk, navigatie, contact maken met vrienden. Ook nog nooit een dick pick. Kun je nagaan, ben ik eigenlijk zielig. Vind ik jammer voor d'r denk ik. Waar zit dat internet precies? Hoe werkt het? En hoe heeft het ons leven veranderd? Internet is verslavend. Ik vind internet een vloek en een zegen. Ik ervaar het zelf als heel positief. In de podcast Net Goed van NEMO Kennislink duiken we in de wereld achter het wereldwijde web. Leuk! Nou ja, prima. Net Goed.

Huidige publicatie