Nog altijd is er te weinig bekend over moord op vrouwen vanwege hun vrouw-zijn. Informatie uit de Femicide Monitor maar ook het juiste woordgebruik in de media, kunnen nuance brengen in het debat.
Het gaat vaak rond: elke acht dagen zou in Nederland een vrouw worden vermoord om haar vrouw-zijn. “Dat klopt niet”, zegt Marieke Liem, hoogleraar geweld en interventies aan de Universiteit Leiden. “In die cijfers zitten bijvoorbeeld ook vrouwelijke tankstationmedewerkers die om het leven komen bij een roofoverval.” Zij worden niet per se vermoord om dat ze vrouw zijn, wil ze maar zeggen.
Ze zijn er wel, de typische moorden vanwege hun vrouw-zijn. En regelmatig wordt de aaneenschakeling van gebeurtenissen die tot de zogenaamde femicide leidt niet op tijd herkend.
Neem bijvoorbeeld de moord op Humeyra, een zestienjarig meisje uit Rotterdam. Ze viel in handen van Bekir E., die ze in juli 2017 via Facebook leerde kennen. Na een relatie van paar weken, waarin Humeyra wordt ingepakt met dure cadeaus, blijkt Bekir E. gelogen te hebben over zaken zoals zijn leeftijd. Humeyra probeert afstand te nemen, maar dan gaat Bekir over tot maandenlange terreur en zelfs mishandeling, meldt Het Parool. Ondanks meerdere aangiftes en een contactverbod blijft Bekir haar opzoeken. Tot hij haar in december 2018 op haar school vermoordt. De politie greep niet afdoende in, vinden nabestaanden.
Prototype
De zaak-Humeyra lijkt sterk op een prototype vrouwenmoord, zegt Liem. “Er is ook hier sprake van een langdurige intieme terreur, een frame dat vaker voorkomt. Een man mishandelt een vrouw in een relatie, de man gaat vervolgens stalken, en uiteindelijk vindt een moord plaats.” Liem wil waarschuwen voor het veralgemeniseren van dit frame. “Moord op vrouwen is veel diverser dan we denken. Er kan ook sprake zijn van wederzijds drank- en drugsgebruik en psychische problematiek die kunnen leiden tot een moord.” Die waarschuwingssignalen en patronen worden niet altijd herkend. En dus zijn alle femicidezaken nog niet volledig in beeld.
Samen met collega’s brengt ze daarom in eerste instantie alle vrouwenmoorden van de afgelopen tien jaar in beeld in de zogenaamde Femicide Monitor. “Je kunt zeggen: waarom kijk je niet langer terug en zijn zaken uit 1999 bijvoorbeeld niet ook relevant?” zegt Liem. “Maar in een tijdsbestek van tien jaar kun je al genoeg data verzamelen, en de zaken zijn niet te oud om ook nu nog praktische relevantie te hebben”. En dus kijkt ze naar ongeveer vierhonderd zaken in totaal.
“Ongeveer de helft van die vierhonderd betreft de moord door een partner of ex-partner”, zegt Liem. De andere helft bestaat bijvoorbeeld uit een moord door kinderen, buren, ouders, grootouders of andere familieleden.
Top van de ijsberg
Dat Liem juist de moorden op vrouwen in kaart wil brengen, en niet begint bij het geweld dat erachter schuilgaat, heeft te maken met de meetbaarheid. Verkrachting, aanranding, en poging tot moord en doodslag worden minder goed geregistreerd dan moord, zegt Liem. “Moord is de meetbare top van de ijsberg voor onderliggend geweld.”
Zeker als het op vrouwenmoorden aankomt: die worden vrijwel allemaal geregistreerd. Er bestaan echter uitzonderingen, zoals moorden op groepen mensen die al vermist zijn, sekswerkers en dak- en thuislozen. “Zij kunnen helaas slachtoffer van moord worden zonder dat iemand het doorheeft”, zegt ze.
Dat er zoveel vrouwenmoorden in kaart zijn gebracht, is omdat aandacht voor die groep groot is. “Van vrouwenmoorden vinden we meestal iets”, zegt Liem. “Vrouwen zijn vaak wat we in de criminologie 'ideale slachtoffers' noemen: onschuldig, jong of juist erg oud, en kwetsbaar.” En mensen herkennen zich er ook makkelijker in. “Ze hebben sneller het idee dat hen dit ook kan overkomen dan als het gaat om een afrekening in het criminele circuit.”
Alle zaken op een rij
Zo’n monitor is nog niet eerder gemaakt. Het CBS houdt alle doodsoorzaken in Nederland bij, maar zegt niks over de omstandigheden van de persoon in kwestie. Bovendien spreekt het CBS alleen van ‘partners’ op het moment dat mensen samenwonen, getrouwd zijn of een geregistreerd partnerschap hebben. Relaties zoals die van Humeyra worden buiten beschouwing gelaten.
“We zien dat tot nu toe geen van de instanties het écht goed bijhoudt”, zegt Liem. “En aan de Universiteit Leiden houden we al vanaf 1992 gegevens over moordzaken bij vanuit bijvoorbeeld krantenartikelen. “We weten dat we alle zaken in de database van de universiteit op een rij hebben, en weten wat je ook wel en niet kunt zeggen over moordzaken.” Daarvoor baseren ze zich op officiële politiedata en juridische documentatie over de moordzaken.
Die data worden uitgezocht en de zaken die over vrouwen gaan worden uitgediept in de Femicide Monitor. De eerste resultaten uit de monitor worden in april verwacht. “Dan kunnen we aangeven om hoeveel vrouwen het gaat, welke leeftijd ze hadden en waar ze om het leven zijn gebracht. En we kunnen basaal aangeven wat de context was waarin iemand is vermoord’, zegt Liem.
Daar blijft het niet bij. Tot 2029 blijven Liem en haar collega’s de monitor aanvullen. Bovendien gaan ze dieper in op de motieven voor elke moord. ‘We kijken of vrouwenhaat daar daadwerkelijk een onderdeel van is. En we voeren ook interviews met nabestaanden, als dat mogelijk is. ”
Meer nuance nodig
Uiteindelijk wil Liem meer helderheid geven en misinformatie rondom het thema in kaart brengen. Juist door de informatie over vrouwenmoordzaken uit te breiden, hoopt Liem dat we toekomstige vrouwenmoorden beter gaan herkennen.
Ook voor de nuance in het debat en in de media is data uit de monitor belangrijk, zegt ze. “Je ziet nu bijvoorbeeld dat de media berichten over de vijfde partnerdoding in drie maanden tijd. Maar als je goed kijkt naar de data, zie je veel meer nuance. Niet elke vrouwenmoord is een klassieke partnerdoding bijvoorbeeld. Het kan gaan om fatale ruzie tussen migratiewerkers of iemand die niet trouw diens medicatie nam en daardoor een moord pleegde.”
Het gebruik van de term ‘femicide’ in de media kan helpen om geweld tegen vrouwen aandacht te geven
Dat heeft gedeeltelijk te maken met de beknoptheid waarmee veel moordzaken doorgaans worden belicht in de media, concludeerde forensisch criminoloog Fenne Murk al eerder. Zo worden termen als ‘partnerdoding’, ‘gezinsdrama’ of ‘familiedrama’ gebruikt, en wordt ‘femicide’ of ‘vrouwenmoord’ vaak vermeden. “Terwijl het gebruik van de term ‘femicide’ in de media juist kan helpen om geweld tegen vrouwen aandacht te geven”, zegt Liem.
De term ‘femicide’ heeft een activistische achtergrond, afkomstig uit de feministische golf van de jaren ’70. Mogelijk dat de media daardoor ‘femicide’ niet vaak gebruiken, stelt Murk. Terwijl ongewone moordzaken – zoals een lange klopjacht – wel breed worden uitgemeten in de media, omdat dit goed gelezen verhalen zijn. Maar ze gaan voorbij aan het bredere patroon van femicide.
Onder de bevolking zelf komt femicide wel meer onder de aandacht, zegt Liem. Volgens de onderzoeker komt dat door een algehele omslag in het denken: de laatste vijf tot tien jaar is er een verschuiving in het collectief bewustzijn over welk gedrag in een relatie wel of niet acceptabel is. Daarom worden er nu pogingen ondernomen om femicide actief te bestrijden.
Daar heeft de Tweede Kamer afgelopen december tien miljoen euro voor opzij gezet. “Maatschappelijke partners en nabestaanden hebben behoorlijk gepusht om dit voor elkaar te krijgen”, zegt Liem. Met het geld kunnen politie en justitie extra capaciteit vrijmaken en kan er worden getraind om femicide eerder te herkennen. “Het is goed om te zien dat er nu prioriteit voor de aanpak van femicide is”, besluit Liem.