Platgetrapt op het trottoir zien we ze weleens, of hulpeloos bungelend in een merelsnavel. Misschien tijdens een middagje spitten in de tuin. Maar we worden vooral indirect met regenwormen geconfronteerd, door het nuttige bodemwerk dat ze verrichten. Door te graven, te ploegen en te composteren zorgen ze voor een vruchtbare ondergrond.
Darwin bestudeerde ze 39 jaar. Cleopatra noemde ze heilig en Aristoteles gaf ze de koosnaam ‘darmen van de ondergrond.’ Jane Goodall nam ze als driejarige zelfs mee naar bed, omdat ze het zo zielig vond dat ze altijd in die donkere, natte ondergrond moesten slapen.
Door de eeuwen heen hebben regenwormen flink wat fans gehad. En terecht. Lang voordat ploeg en kunstmest waren uitgevonden, deden regenwormen het belangrijkste werk in de akkerbouw. Door tunnels te graven zorgen ze tenslotte voor voldoende zuurstof in de bodem en voor goede menging van de grond. Daarmee houden ze tegelijkertijd de zuurgraad en het vochtgehalte op peil.
Humusrijke poep
Tegelijkertijd zijn regenwormen prima als compostproducent. Op hun tocht door de ondergrond eten ze letterlijk de bodem op. Het dode plantenmateriaal dat daarin zit, gebruiken ze om voedingsstoffen uit te halen. Wat ze niet nodig hebben, poepen ze weer uit: regenwormenpoep bestaat voor zo’n 70% uit humus. Organische stof vol gerecyclede mineralen, die door de herbewerking in het wormenlijf weer beschikbaar worden voor planten.
In Nederland leven zo’n 25 soorten regenwormen, waarvan de gewone regenworm het meest algemeen voortkomt. In een hectare grond kan wel een miljoen regenwormen voorkomen. Samen kunnen die wormen per dag zo’n 5 kilometer aan tunnels graven en op jaarbasis verwerken ze zo’n 3000 kilo grond tot compost.
http://www.youtube.com/watch?v=u_gg5mMJ-mk
Stofzuigerslang
Regenwormen behoren tot de annelida, de zogenaamde ring- of segmentwormen, waarvan er wereldwijd zo’n 8500 voorkomen – ook bijvoorbeeld bloedzuigers maken deel uit van deze stam. Hun lichaam heeft wel wat weg van een stofzuigerslang: opgedeeld in allemaal ringvormige segmentjes. Bij een volgroeid regenwormenlijf kunnen het er enkele honderden zijn.
In die segmenten zijn kringvormige spieren aanwezig, die er bij aanspanning voor zorgen dat het wormenlichaam langer en dunner wordt. Een regenworm heeft ook spieren die van kop tot kont lopen. Wanneer deze ‘lengtespieren’ aanspannen, wordt de worm korter en dikker.
Door het afwisselend aan- en ontspannen van deze twee soorten spieren, beweegt de worm zich voort in de bodem. Hoe makkelijk dat gaat, hangt af van het bodemtype. Bij een losse podzolbodem bijvoorbeeld is het puur een kwestie van de zandkorrels opzij duwen. In een stugge kleibodem eet de worm zich een weg door de ondergrond.
http://www.youtube.com/watch?v=bFpblBf1dfE
Slijmlaag
Een wormenlijf bestaat tot 95% uit water. De huid is bedekt met een slijmlaag, die wordt geproduceerd door het clitellum op het lijf van een volwassen regenworm (3 maanden of ouder). Dit ‘zadel’ ziet er een beetje uit zoals het buiggedeelte van een drinkrietje.
Dankzij de slijmlaag kan een worm zich makkelijker door de ondergrond bewegen; losse zandkorrels worden er als het ware door aan elkaar gekit. Ook zorgt het ervoor dat een regenworm minder snel uitdroogt bij droogte en hitte. Bovendien neemt de huid van een regenworm dankzij de slijmlaag gemakkelijk zuurstof op uit de omgeving – de zuurstofmoleculen lossen op in het vocht, waardoor de worm kan ademen.
Trui uittrekken
Paren doen wormen bovengronds, als het donker is. Het clitellum produceert extra veel slijm, waardoor de wormen aan elkaar blijven plakken. Kop tegen kont en kont tegen kop liggen ze zo’n twee uur lang sperma en eicellen uit te wisselen. Regenwormen zijn hermafrodiet, waardoor elk individu eitjes kan afzetten. Dat gebeurt met behulp van een cocon. Na de paring, terug in de bodem, ontstaat vanuit het clitellum een buisachtig omhulsel, dat de regenworm als het ware ‘uittrekt’ zoals wij een trui uittrekken. Hij kruipt achteruit, waarbij eicellen en spermacellen in de buis terecht komen. Eenmaal los van het wormenlichaam sluit de buis zich tot een cocon, waaruit na zo’n twee weken babywormen tevoorschijn komen. Die zijn net na hun geboorte nog wit, maar kleuren na een paar uur roze door de bloedsomloop.
Rood licht
Hoe je voor- en achterkant van een regenworm kunt onderscheiden? Het clitellum zit over het algemeen iets dichter bij de kop. Bovendien is de kop klein, rond en vrij spits, terwijl het achterste wat ‘lobbiger’ en breder is.
Van heel dichtbij is het mondje van de wormenkop te zien. Ogen zijn afwezig – toch kunnen wormen wel licht waarnemen. Ze voelen licht, te vergelijken met de manier waarop wij temperatuur voelen. Wie in het donker met een zaklamp regenwormen wil bekijken, kan het best rood cellofaan voor de lamp houden. Rood licht nemen de regenwormen namelijk niet waar.
Krasserig geluid
Naast licht kunnen de wormen ook trillingen waarnemen. Al lijkt een regenwormenlijf volkomen glad, in feite groeien er minuscule borstelhaartjes op. Als je een regenworm op een stuk papier legt, hoor je een krasserig geluid – dat zijn de borstelharen. Niet te veel (regenwormen behoren nog altijd tot de onderorde van de Oligochaeta, wat vrij vertaald de ‘spaarzaam behaarden’ betekent), maar voldoende om van nut te zijn. Als trillingssensoren, dus, maar ook als houvast.
De haartjes zorgen voor extra wrijving, waardoor wormen niet zo makkelijk uit de grond te trekken zijn door vogels. De vogels hebben daar wat op gevonden: een wormendans. Zie je een vogel (bijvoorbeeld een meeuw) wild staan trappelen in een weiland, dan is hij op voedseljacht. Waarschijnlijk interpreteren de regenwormen de trillingen als het getik van regendruppels. En aangezien ze bij vochtig weer graag bovengronds komen, kruipen ze nietsvermoedend omhoog – hun dood tegemoet.
&feature=related
Voedselarme bodems
Aangezien regenwormen zorgen voor vruchtbare bodems, lijkt de oplossing simpel: gewoon een handvol wormen toevoegen aan elk voedselarm lapje grond. Helaas werkt het niet zo eenvoudig. Om ervoor te zorgen dat de wormen overleven, moet er wel voldoende voedsel voorradig zijn. In dat geval kunnen ze de bodem vruchtbaarder maken – maar daar is dus wel een minimumhoeveelheid plantaardig materiaal voor nodig. Als dat ontbreekt, verhongeren de regenwormen. Hun dode lichaam zorgt wel voor een tijdelijke verrijking van de grond – maar uiteindelijk wordt die weer even arm als voorheen.
Zie ook:
- Regenwormen en hun sleutelrol in de bodem (Bionieuws)
- Regenwormen bepalen het toneel (Kennislink)
- De kloof tussen de ecologie en geologie (Kennislink)
- Bodemdiertjes bouwen aan de natuur (Kennislink)
- Meer is niet beter in de bodem (Kennislink)